Veranderen van sommige van de standaard instellingen binnen Inventor kan helpen om de applicatie effectiever voor je te laten werken.De volgende zijn allemaal wijzigingen in de Applications Options dialoog- venster.
1. Help
Option voor ‘Show Help bij start-up’ is uitgeschakeld. Deze optie kan handig zijn als je voor het eerst het werkt met een nieuwe versie van Inventor, maar als je eenmaal vertrouwd bent met de informatie weergegeven in de "What's New" deel van het Help-menu kan deze worden uitgeschakeld.
2. User name
De gebruikersnaam is veranderd. Deze tekst wordt gebruikt in de standaard Autodesk titel blokken voor de "Drawn By" naam, dus het is veranderd en geschikt voor de titel blok tekst.
3. Keeping mass properties up to date
Als je je onderdeel of assembly massa-eigenschappen automatisch up to date wilt houden, ga dan naar het tabblad General onder Application Options en zet Update Physical Properties op save. Je kunt dan kiezen of om slechts een deel, of onderdelen en samenstellingen te updaten.
4. Undo file size
Door het vergroten van de ‘undo’ bestandsgrootte komen er een groter aantal undo’s beschikbaar .Dit kan vooral nuttig zijn bij het werken met grote of complexe modellen. Ik raad je aan de standaard van 256mb naar 1000mb of hoger te veranderen.
5. Annotation scale
Annotatie schaal staat ingesteld op 1.5. Dit bepaalt de grootte van de dimension text tijdens schetsen, waardoor ze gemakkelijker te lezen zijn. Drawing dimensions worden niet beïnvloed door deze waarde.
General

6. Save
De ‘prompt to save for migration’ zal vragen of een gemigreerd bestand (een afkomstig van een oudere versie) moet worden opgeslagen wanneer het bestand wordt gesloten. Deze prompt zal opkomen, zelfs als er geen andere wijzigingen zijn aangebracht in het bestand.

7. File
Deze drie instellingen kunnen worden gewijzigd om te verwijzen naar een gemeenschappelijke locatie op een bedrijfsnetwerk. Op deze manier hoeven sjablonen, draadgat maten, bevestigingsmiddelen, etc. niet te worden herladen op iedere machine waarop wijzigingen worden aangebracht.

8. Colors
Je kunt experimenteren met de verschillende kleurenschema’s om zo de kleur te vinden die het best voor je werkt. De achtergrond kan worden veranderd in 1 kleur om de prestaties van de grafische kaart te verhogen. Maar je kunt ook één kleur aanmaken in het programma Paint en deze opslaan. Onder ‘File name’ zoek je het bestand op zodat de aangemaakte kleur je achtergrond kleur word.

9. Display
Als tijdens ontwerpen vaak cilindrisch, conisch of bolvormig gevormde onderdelen worden gebruikt kan het zeer nuttig zijn om het display ‘Silhouettes’ van de randen aan te zetten onder het ‘actieve’ deel. Deze randen zijn dan beschikbaar voor projectie op de sketch plane. De ‘reverse zoom direction’ optie kan worden ingeschakeld om het muiswiel gedrag in Inventor te wijzigen t.o.v. het standaard gedrag van AutoCAD, indien gewenst.

10. Hardware
Direct3D grafische stuurprogramma’s zijn beschikbaar in Inventor vanaf R11. Zorg ervoor dat je met een gecertificeerde grafische kaart en driver werkt. De waarschuwing optie kan – indien gewenst – worden ingeschakeld, echter dient het Diagnose commando te worden uitgevoerd wanneer Inventor is een 3D-model open heeft en wordt weergegeven in de shaded-mode.

11. Prompts
Default prompt gedrag kan worden gewijzigd zoals je zelf wenst.

12. Drawing
De ‘Default Drawing File Type’ kan worden ingesteld op Inventor tekening (*.dwg). Deze instelling maakt het gemakkelijker om tekeningen te delen met AutoCAD. Zorg ervoor dat de optie ‘Open’ is ingesteld voor Non-Inventor DWG-file gedrag. AutoCAD gegevens kunnen vervolgens worden gekopieerd en geplakt zonder te intensiveren door middel van de Import-wizard.
Dit betekent dat wanneer je gebruik maakt van de ‘New’ snelkoppeling (in de linker bovenhoek) en selecteer Drawing in de fly out, zul je beginnen met een nieuwe 2D-tekening DWG in tegenstelling tot een nieuwe 2D- tekening IDW.

13. Notebook
Deze settings zijn onveranderd.

14. Sketch
Wijzig de’ Overconstrained dimensions’ gedrag naar ‘Apply driven dimension. Dit zal voorkomen dat een waarschuwing dialoogvenster word weergegeven wanneer een overconstrained dimensie wordt gecreëerd.
De ‘Edit dimension when created’ instelling kan hier of met de rechtermuisknop op het menu van de general dimensie commando worden veranderd tijdens het schetsen.
Dit zou aan moeten staan wanneer je bestaande ontwerpen wil vastleggen in Inventor. Het kan worden uitgeschakeld wanneer exacte afmetingen niet bekend zijn en de afmetingen worden gecreëerd als place-holders.

‘Autoproject edges for sketch creation and edit ‘ kan worden gebruikt op relatief eenvoudige onderdelen, maar moet worden uitgeschakeld voordat je schetsen plaatst op complexe faces, zoals tandwielen.
‘Parallel view on sketch creation’ is een kwestie van persoonlijke voorkeur. Als deze is ingeschakeld verschuift het viewpoint zodat je recht op de sketch plane kijkt wanneer een schets wordt gemaakt of bewerkt. De previous standpunt wordt hersteld wanneer de schets bewerking is gedaan.
‘Autoproject part origin on sketch creation’ geeft een geprojecteerd referentie punt weer bij het creëren van een nieuwe sketch. Opmerking: dit kan problemen veroorzaken voor adaptieve schetsen. Verwijder de geprojecteerde punt als de schets adaptive word gemaakt. Schakel de weergave van de rasterlijnen, minor rasterlijnen, assen en gecoördineerd systeem indicator indien gewenst uit. Hierdoor word de schets display vrij gemaakt van het lijnen stelsel.
Het verhogen van de ‘Constraint Toolbar Scale’ maakt het lezen van de constraint indicatoren veel gemakkelijker.
Als je ‘edit dimension when created’ aan zet word er na het plaatsen van een dimension in een sketch een view geopend zodat men direct de maat in kan geven.

15. Part
Voor veel modellen de Sketch op het xy-vlak (vooraanzicht) is een logisch uitgangspunt, maar voor modellen zoals fabrieks apparatuur de Sketch op het xz vlak is een betere keuze. Deze keuze heeft verheffing van het onderdeel als de standaard extrusie richting. Als je regelmatig gebruik maakt van 3D-grips overweeg de dimensie en de geometrische constraint setting op prompt te zeten.
16. iFeature
Deze drie instellingen kunnen worden gewijzigd om te verwijzen naar een gemeenschappelijke locatie op een bedrijfsnetwerk. Op deze manier hoeven sjablonen, draadgat maten, bevestigingsmiddelen, etc. niet te worden herladen op iedere machine waarop wijzigingen worden aangebracht.

17. Assembly
De ‘Defer Update’(uitstellen update) optie kan worden ingeschakeld bij het werken op zeer grote assemblages. Dit maakt het werk gedaan op diverse vlakken vóór een eventueel tijdrovende update wordt uitgevoerd.
De ‘Enable related constraint failure analysis’ optie kan nuttig zijn bij het werken met ingewikkelde assemblies.

Standaard staat onder ‘Component opacity’ de optie ‘active only’aan. Controleer of dit de huidige instelling instelling is. Dit kan ook worden ingesteld met een knop op de werkbalk Standaard.
Deze suggesties nemen veel van de wijzigingen in de gebruikersinterface. Opties worden toegevoegd en verwijderd in elke nieuwe release. Als er nieuwe versies zijn geïnstalleerd, neem dan een kijkje in het dialoogvenster Options en kijk welke nieuwe tools jou kunnen helpen.